DEMENTIE IN THEATER -NIEUWE SPEELDATA!  16 en 21 mei & 13 en 19 juni.

‘Ik heb mijn eigen tanden nog. Hier, kijk maar.’ Opgewonden legt ze een rij donkergele tanden bloot. Met haar wijsvinger tikt ze trots tegen haar oude voortand. ‘Wie kan dat nou nog zeggen?’ Ze springt even op uit haar stoel en maakt zich groot op haar schoentjes met halfhoge hakken.

‘Niemand,’ zeg ik.

Mevrouw Rozenhout heeft inderdaad gelijk. Ik zie altijd overal kunstgebitten. In glaasjes, in de monden van medebewoners, zelfs onder het kussen van mevrouw Jansen liggen er een aantal verstopt. Sommige bewoners willen dat er gepoetst wordt, andere weigeren pertinent mondzorg, maar mevrouw Rozenhout heeft haar eigen tanden nog, en daar is ze terecht trots op.

‘Ik ben er altijd heel zuinig op geweest. Goed poetsen, dat is heel belangrijk.’

Ze doet haar mond open, en ik word een beetje misselijk. De lucht is nogal doordringend. Heel oneerbiedig gezegd ruikt het een beetje naar poep, vermengd met een geur die ik moeilijk kan thuisbrengen, maar die zich misschien nog het beste laat omschrijven als een chloorluchtje.

Mevrouw Rozenhout woont hier nu een aantal weken. Ze heeft stijl, klasse, is van goede komaf. Ze gaat twee keer per week naar de kapper, waar ze haar haren laat modelleren in een soort beatrixkapsel. Op haar nachtkastjes liggen een aantal Franse literaire boeken. Haar man was professor, haar schoonvader ingenieur, en zij was lerares Frans. Vaak troont ze mij mee naar haar kamer om het schilderij van haar man te bekijken. Zo ook vandaag.

‘Wat een knapperd, hè?’

‘Nou, mevrouw Rozenhout, wat u zegt, wat u zegt. Hoe heeft u hem ontmoet?’

‘Dat zal ik je vertellen. Ik was nog geen achttien toen ik van school naar huis fietste en een lekke band kreeg. Hij stopte en bood mij een lift aan. Ik ga niet met vreemde mannen mee, zei ik. Dan stel ik mij toch eerst even voor, zei hij. Jan Rozenhout, aangenaam. Ja, het was een grappige man. En intelligent. Heb ik je al eens verteld waar hij gestudeerd heeft?’

‘Nee, mevrouw Rozenhout, maar ik wil het graag horen.’

‘Nou meisje, ga maar eens even zitten, hier in die stoel.’ Ze wijst naar de statige bruine fauteuil in de hoek van haar kamer. Er ligt een handdoekje op tegen het doorlekken van haar inco-luier.

‘Daar?’ wijs ik, in de hoop dat ze het bed bedoelt.

‘Nee, daar, in die prachtige fauteuil die ik van mijn schoonvader heb gekregen. God, God, wat was die man gek op mij. Hij mocht mij graag, ik hem ook. Een slimme man, hoor, heb ik je dat al eens verteld?’

‘Hij was ingenieur, toch?’ zeg ik.

‘O, dat heb ik je al verteld. Nou, dan vertel ik het gewoon nog een keer, dan vergeet je het niet meer.’ Ze lacht en legt weer haar rij vergeelde tanden bloot. ‘Er wordt hier al genoeg vergeten.’

‘Dat is inderdaad waar, mevrouw Rozenhout.’

‘Zeg maar Adelheid Geraldine.’

‘Dat onthoud ik nooit, mevrouw Rozenhout.’

Ze begint weer te lachen. ‘Nou, intimi noemen mij Geertje.’ Ze gaat op het puntje van haar stoel zitten.

‘Mag ik u Geertje noemen dan?’

‘Ik dacht dat je het nooit zou vragen, meisje. Wat hebben we het fijn samen, hè.’ Haar stem klinkt ondeugend.

‘Dat kunt u wel zeggen, Geertje.’

‘Ik vind het hier een fijne plek.’

‘U blijft toch nog wel een tijdje hier?’ vraag ik een beetje bezorgd.

‘Nou, eh, ja, het is wel een fijne plek, maar ik heb ook nog een ontzettend gróót huis aan zee. Al is het wel wat groot voor mij alleen, sinds de dood van Jan. Heerlijk ’s ochtends uitwaaien in de zeebries.’ Ze gaat staan en snuift de lucht op.

Het moet toch een shock zijn. Ineens je neus vullen met schoonmaakmiddel vermengd met de verschraalde urinelucht van haar bruine fauteuil.

Adelheid Geraldine lijkt het echter niet op te merken. Ik ga naast haar staan en snuif mee. Ze knijpt even in mijn hand.

‘Ik ben blij dat u er bent,’ zeg ik.

‘Ik ook, meisje, ik ook.’ Dan kijkt ze me plots gespannen aan. ‘Ik betaal er wel voor, hoor, daar sta ik op. Ik betaal altijd netjes, en dat zal nu niet anders zijn. Reik mij mijn tas eens aan, wil je? Die zwarte daar?’ Ze wijst naar de versleten leren tas op haar bed.

‘Deze?’ vraag ik.

‘Ja, geef hem maar even hier. Misschien zit er ook wel een lekker zuurtje voor je in.’ Ze geeft mij een knipoog.

Ik kijk zo verrukt mogelijk. Hoe vaak ik wel geen gesmolten chocolaatjes, hard geworden dropjes of zacht geworden koekjes in mijn mond stop, ik ben de tel kwijtgeraakt.

Ze zet de tas op haar schoot, pakt de slangenleren portemonnee eruit, klikt hem open en kijkt erin. Dan knippert ze een aantal maal met haar ogen, schudt de portemonnee driftig op en neer, kijkt er nog eens in, om uiteindelijk tot de conclusie te komen dat er niks, maar dan ook helemaal niks in zit. ‘Geen cent! Er zit geen cent meer in, en ik kan heel goed zien. Ik heb niet eens een bril.’ Adelheid Geraldine wijst naar haar ogen. De stemming slaat om als een blad aan een boom. ‘Ik ben bestolen! Wel heb je ooit, wat een laag allooi. Bestolen!’ Ze springt op uit haar stoel en rent op haar halfhoge hakjes de gang op, waar juist mevrouw Geelakker voor de vijftiende keer die dag op haar elfendertigst het appartement van mevrouw Rozenhout voorbij slentert.t. ‘Was u het? Ik zie u hier de hele dag voorbijkomen!’

Mevrouw Geelakker, die kampt met een ernstig verstoord taalbegrip en hierdoor de uitstraling heeft van een toerist in een vreemd land, kijkt mevrouw Rozenhout vragend aan.

‘Houdt u zich nu maar niet van de domme. Zeg, ik ben niet achterlijk, hè. Mijn man was professor, en ik Franse lerares. En wat heeft u in uw mond? Dacht ik het niet, een kunstgebit. Kijk hier eens.’ Driftig tikt ze met haar vinger tegen haar bruine voortand. ‘O, dat bedoel ik.’

Mevrouw Geelakker, die werkelijk niks lijkt te begrijpen van deze tegen haar tanden tikkende dame, antwoordt niet en vervolgt haar wandeling.

Mevrouw Rozenhout schudt haar hoofd met beatrixkapsel in hoog tempo heen en weer. ‘De onbeschoftheid.’

Dan komt zuster Bettie haar tegemoet gereden met een koffiekarretje waarop twee thermoskannen en een schaaltje koekjes staan. ‘Ha mevrouw Rozenhout, een kopje koffie? Vers gezet.’

Vers gezet. Ik snap deze term nooit zo. Net als Hollandse nieuwe. Het lijkt mij toch betrekkelijk aannemelijk dat je mensen geen oude koffie noch oude haringen voorzet. Maar toch lief dat Bettie het zegt. Ze probeert de cafeïnevrije koffie in de dampende plastic thermoskannen er iets meer cachet mee te geven.

Mevrouw Rozenhout kijkt ineens enorm treurig. ‘Ik zou het graag nuttigen, maar ik heb geen geld.’

‘Maar mevrouw Rozenhout, u hoeft niks te betalen. Dat wordt allemaal voor u geregeld.’

‘Daar kan ik niet mee akkoord gaan. Ik wil betalen, ik sta erop.’

‘U hoeft zich echt geen zorgen te maken, echt niet!’ Bettie pakt de arm van mevrouw Rozenhout vast en zet haar allervriendelijkste gezicht op.

Oeps. Ik hoor hoe de meest loze zin uit verpleeghuisland – u hoeft zich geen zorgen te maken – doordendert in het hoofd van mevrouw Rozenhout. Het zal nu niet lang meer duren of de weledelgeleerde dokter Heinen wordt erbij gehaald. En ja hoor, daar is ie.

‘Bel dokter Heinen maar. Ik kan het mij financieel veroorloven, daar heeft dokter Heinen allemaal voor gezorgd.’

Haar voormalig huisarts uit Den Haag, dokter Heinen, heeft inderdaad voor een hoop zaken gezorgd: de diagnose dementie, de opname in het verpleeghuis, het verdrietige vertrek uit haar grote huis aan zee. Maar de financiën worden toch echt afgehandeld door de grote en kleine nicht uit Amsterdam, een parmantig stel dat mevrouw Rozenhout nog wekelijks opzoekt in het verpleeghuis.

De ogen van mevrouw Rozenhout gaan razendsnel heen en weer. Ze drukt haar hand tegen haar voorhoofd en zakt dan lichtjes door haar benen, met een zucht, als een prinses die zich laat vallen in de armen van haar geliefde. ‘Ohoho, ik kan betalen. Hier, pak mijn armband maar, of mijn gouden ringen, als je mij niet gelooft.’ Ze springt weer rechtop en wringt de armband van haar dunne arm. ‘Hier, neem alles wat ik heb. Wat heb je als mens aan bezittingen wanneer je je eer verliest?’

‘Mevrouw Rozenhout, dit kan ik echt niet aannemen. Alles wordt betaald, echt. Laten we er nu over ophouden.’

Daar gaat ze, voor de slotscène. Ze geeft nu alles wat ze in zich heeft. Via de muur laat ze zich naar de grond glijden. Ze gaat liggen, met één arm in de lucht. ‘Bel dokter Heinen, alsjeblieft. Zijn nummer ligt in mijn dressoir. 070-23…’ Dan is het stil en laat ze haar arm zakken.

Heel eerlijk gezegd is het een genot om naar te kijken. ‘Mevrouw Rozenhout heeft een onuitputtelijk gevoel voor drama, dat ze met regelmaat tentoonspreidt. Op de meeste onverwachte momenten, zoals bij het inbrengen van een katheter. ‘Ach nee, wat leuk, dolletjes, dat slangetje gaat daar dan naar binnen!’ Opgewonden wijst ze met haar hand naar beneden. ‘Daar? Wat enig, wie bedenkt zoiets. En daar kan ik dan door plassen, nééé.’ Ze slaat haar handen tegen haar wangen, drukt haar lippen lichtjes naar voren, schudt haar hoofd in hoog tempo heen en weer, en barst nog eenmaal los: ‘On-ge-lo-fe-lijk!’

Bettie rolt met haar ogen en kijkt mij aan. ‘We worden er stapelgek van, ze wil voortdurend overal voor betalen en loopt hele dagen achter je aan. Probeer je haar gerust te stellen, nou, kijk zelf maar.’ Ze wijst naar mevrouw Rozenhout, die nu puffend en kreunend op de grond ligt. ‘Dan gebeurt er dit, het wordt alleen maar erger. Zo theatraal, ze doet het erom. Kun je niet iets verzinnen?’ klinkt het wanhopig uit Betties mond

Nepgeld en zo

Soms lijken problemen ontzettend klein, lachwekkend misschien, maar voor mevrouw Rozenhout is dit de realiteit waar ze dagelijks mee leeft. Ze kan niet betalen voor haar kopje koffie, haar ontbijt, haar overnachting, en ga zo maar door. Het tast haar zelfbeeld aan. Ze ziet zichzelf als iemand van hoge komaf, met een goede opleiding en een eigen gebit. Ze wil deze status handhaven, ook binnen de muren van het verpleeghuis. Ze wil zélf betalen. Ze maakt zich grote zorgen, en niemand lijkt dit te begrijpen. ‘Nee, mevrouw Rozenhout, het wordt allemaal betaald, u hoeft zich geen zorgen te maken, écht niet.’ Geruststellen, het kan zo dodelijk zijn. Mevrouw Rozenhout voelt zich daardoor niet alleen een klaploper, maar ook nog eens vreselijk eenzaam. Totaal niet serieus genomen. En dus gaat ze op de grond liggen, in de hoop dat iemand eindelijk ziet hoe groot haar zorgen zijn. Ze wil zelf kunnen betalen, punt uit. Gewoon geld in haar handen hebben, het door haar vingers kunnen laten glijden

En dus besloten we nepgeld uit te printen. Briefjes van vijf gulden. We stopten ze in haar portemonnee en staken ook een aantal briefjes van vijf in eigen zak. Wat een verademing. Mevrouw Rozenhout straalt. Ze telt weer mee. Ze kan betalen. Soms doet ze dat dan ook. Op andere momenten halen we de briefjes uit onze zak om te laten zien dat ze al betaald heeft.

‘Echt? Wat fijn. Ja, ik betaal altijd, hoor, zo ben ik.’ ‘Zo bent u altijd al geweest, mevrouw

DEMENTIE IN THEATER – NIEUWE SPEELDATA!

Ontdek wat dementie met uw naaste of client doet en begrijp hoe u hiermee kunt omgaan. Zodat u het béste kunt geven. Want er is nog zoveel mogelijk!

– 16 mei (uitverkocht)
– 21 mei: https://www.ticketkantoor.nl/shop/dagmama21mei19
– 13 juni: https://www.ticketkantoor.nl/shop/dagmama13jun19
– 19 juni: https://www.ticketkantoor.nl/shop/dagmama19jun19
– 25 september: https://www.ticketkantoor.nl/shop/dagmama25sep19

DE VEELGEPREZEN MUZIEKTHEATER VOORSTELLING (MET LEZING) OVER OMGAAN MET DEMENTIE – NIEUWE SPEELDATA

* “Wondermooi” – Happinez
* “In één avond leerde ik meer dan in mijn hele opleiding” – Julian Veenendaal
* ”Eindelijk had ik sinds lange tijd weer contact met mijn moeder”’- Susan Ashworth