Hij kreunt terwijl hij zijn bezwete lichaam tegen haar aandrukt. Met zijn hand trekt hij aan haar blonde haren. In haar neus dringt de geur van zweet binnen. Zweet vermengd met benzine.

Ze begint in gedachten te tellen: ‘Twee maal drie is zes, drie maal drie is tien. Nee, drie maal drie is negen. Vier maal drie is twaalf, vijf maal drie is…’

Hij schuift haar beentjes verder uit elkaar en tilt haar jurkje een stukje omhoog. Wit met roze bloemen. Misschien wel haar eerste cadeautje. Verpakt in zilverpapier. ‘Voor jou,’ had hij gezegd. Vanaf dat moment wist ze het zeker, hij moest wel van haar houden.

Dat ze het alleen aan mocht trekken bij speciale gelegenheden had ze wel jammer gevonden. Haar dagen zijn immers weinig speciaal op de boerderij. Opstaan, werken, eten, werken, eten en naar bed. Maar ze is gewend geraakt aan dit leven. Regelmatig wordt ze ondergebracht bij een ander gezin. Ze hebben allemaal iets gemeen: ze mogen haar niet. Waarom weet ze niet, en vragen stellen durft ze niet. Ook nu niet.

Hij gaat boven op haar liggen en drukt haar schouders in het matras. Even denkt ze erin te zullen verdwijnen. Ze wil erin verdwijnen.

Zijn ademhaling gaat sneller en sneller, zijn lichaam begint vurig te schokken, en dan is er die natte zoen tegen haar slaap. Het is voorbij. Met een diepe zucht laat hij zich naast haar op het matras vallen. Ze blijft even doodstil liggen en kijkt naar het prentje van de koe aan de muur. Niet omkijken, had hij vorige keer tegen haar gezegd.

Hij knoopt zijn broek dicht en loopt weg, de trap af, deze grote man die ze haar vader moet noemen.

In het begin had ze het fijn gevonden. Zich gewenst gevoeld wanneer hij haar op schoot trok. Maar ergens voelde ze dat er iets niet klopte wanneer ze dat ding weer in zijn broek voelde priemen als een beest dat wilde losbreken. Ze had niet geweten dat het bestond. Ze had het nooit eerder gezien, laat staan gevoeld.

Ze blijft nog even liggen op het matras en trekt dan haar bloemenjurkje omlaag.

Ze zit in haar stoel en tuurt naar de roze bloemetjes die in bloempotten aan de balustrade van haar balkon hangen. ‘Vind je het erg als ik er eentje opsteek?’ Ze gebaart naar de uitpuilende asbak op haar tafel.

‘Nee hoor,’ zeg ik, terwijl ik mijn adem angstvallig probeer in te houden.

De kamer staat blauw van de rook. Haar muren zijn vergeeld, net als haar vingertoppen.

‘Het maakt mij rustig.’ Ze trekt zenuwachtig met haar mond. ‘Ik ben nerveus, weet je.’ Ze reikt naar een bakje dat tot de rand toe is gevuld met zelfgemaakte peuken. Ernaast staat een sigarettenroller. ‘Achttien peuken in vijf minuten,’ zegt ze trots, terwijl ze wijst naar het apparaat dat haar steeds dichter bij de dood brengt. ‘Heerlijk!’ Ze sluit haar ogen en neemt een diepe haal, waarna ze vervalt in een enorme hoestbui.

Ik reik haar snel het glaasje water aan dat op tafel staat.

‘Ik heb het nodig. Ze zeggen dat ik minder moet roken, maar dat lukt mij niet. Waarom zou ik ook?’ Ze hapt naar lucht. Op haar tafel ligt een puzzel en een stapel kinderboeken. Ze laat haar blik op mij rusten. ‘Ik weet het, ik ben er te oud voor, maar ik vind het leuk.’

Haar krulkapsel staat recht omhoog. Zelfs een orkaan met windkracht twintig zou er geen beweging in krijgen. Het is de bekende watergolfkrul waar menig vrouw in het verpleeghuis liefdevol mee gebrandmerkt wordt.

‘Ga maar zitten, hoor.’ Ze wijst naar de stoel tegenover haar.

De kamer van mevrouw De Keu is eenvoudig: een tafel, twee stoelen en een bed. Nergens foto’s van blije kinderen of kleinkinderen, honden, katten of een jonger uitziende mevrouw De Keu. Wel een aantal borduurwerken aan de wand.

‘Mooi,’ zeg ik iets te uitbundig.

Ze knikt en lurkt ijverig aan de sigaret tussen haar vingers. ‘Ik ben niet goed met mensen,’ zegt ze opeens, terwijl ze een wolk nicotine mijn kant op blaast. ‘Of ze zijn niet goed met mij, het is natuurlijk hoe je het bekijkt.’

‘Wat denkt u?’ vraag ik op mijn meest onwetende toon.

‘Ik denk beide.’

Mevrouw De Keu is anders in vele opzichten. Ze lijdt niet aan dementie, rookt op haar kamer en is 72 jaar oud. Een groentje in verpleeghuisland.

‘Ik ben te vondeling gelegd, seksueel misbruikt en geestelijk mishandeld,’ zegt ze op een toon die doet denken aan de eenvoudige opsomming van een boodschappenlijstje. De woorden verlaten met zoveel gemak haar lippen dat ik vermoed dat ze dit verhaal veel vaker heeft verteld. Dan klinkt haar stem opeens opvallend kinderlijk. ‘Zullen we een puzzel leggen?’ Met haar peuk tussen de vingers wijst ze naar de kinderpuzzel op tafel. Ze neemt nog een flinke hijs. Haar oogleden vallen even dicht.

Het roken van mevrouw De Keu heeft bijna iets sierlijks. Ik blijf ernaar kijken. Bij iedere haal krult ze haar lippen losjes om de sigaret en veert haar hoofd met watergolfkrul een stukje omhoog, waarna haar hand met de gratie van die van een dirigent haar mond verlaat. Ineens weet ik het zeker: cremeren is het verstandigst, willen we mevrouw De Keu niet rokend onder een glasplaat in haar kist aantreffen.

Ik pak de puzzel enthousiast van tafel. ‘Ach, Ot en Sien, daar had ik vroeger twee boeke…’

Mevrouw De Keu onderbreekt me: ‘Vaak wil ik dood.’

Ik leg de puzzel weer naast haar sigarettenroller neer. Kinderlijke onschuld tekenen zich af op de kopjes van Ot en Sien.

Ze vervolgt: ‘Ik heb twee stemmen in mijn hoofd. De ene stem praat op mij in: “Pak iets, maak jezelf van kant.” Maar een andere stem zegt dat ik moet lopen. “Lopen. Nu. Doorlopen, Griet.”’ Ze beweegt haar sigaret richting de asbak, tikt de as eraf en schraapt haar keel. ‘Ik heb niet altijd zo gewoond, hoor. Ooit had ik een mooi huisje met een gazonnetje ervoor. Mijn gazonnetje. De hele buurt had een gazon, maar niet mijn gazon. Snap je? Ik had iets van mezelf. Ik hoorde erbij. Ik had een man en drie kinderen.’ Even staart ze naar de roze bloemen aan haar balustrade. ‘Ik heb ze alle drie in de steek gelaten. Nooit heb ik nog iets van ze gehoord. Dat snap ik, en toch ben ik er een beetje boos om. Nu is het te laat, ik heb ze niks meer te bieden, ik ben oud. Het is allemaal zo lang geleden. Maar die geur, die geur… Die hangt nog altijd in mijn neus. Zweet en benzine. En die handen. Zo groot.’

‘Heeft u het destijds tegen iemand verteld?’ vraag ik.

‘Ja, tegen mijn pleegmoeder. Ze gaf mij de schuld. Ik kreeg een klap en heb voor straf uren in de kelder gezeten. Dat weet ik zeker, want toen ik eruit mocht was het al donker buiten.’

Die nacht denk ik aan mevrouw De Keu. Ik heb zelf een kind van bijna vier jaar oud. Dit meisje was geen jaar ouder dan zes. Ik zie haar levendig voor mij, met haar billen op de koude vloer en haar beentjes opgetrokken. Misschien heeft ze geschreeuwd, gevloekt, gehuild. Of was ze doodstil. Doodsbang. Misschien geloofde ze net als mijn zoontje in monsters en dacht ze daar ter plekke met huid en haar te worden opgegeten. Het stemt mij triest.

Ik zet mijn telefoon aan en open Facebook. Op zoek naar de kinderen van mevrouw De Keu. Ze heeft de naam van haar eerste man gehouden, dus ik maak een kans. Wat zou er van hen terechtgekomen zijn? Hoe zien ze eruit? Hebben ze zelf kinderen? Ik tik hun namen stuk voor stuk in, en opeens verschijnt er een man van een jaar of 45 in mijn scherm. Anton de Keu. Een man met baard en bril. Ik zoek in zijn gezicht naar haar trekken: kuiltjes in de wangen bij het lachen, een hoge haargrens. Verdraaid, het zou hem weleens kunnen zijn. Zal ik hem een berichtje sturen? Gewoon. Zomaar. ‘Hallo, ik ben de psycholoog van mevrouw De Keu, en ik ben op zoek naar haar zoon. Heeft u toevallig een moeder die Grietje de Keu heet, geboren in Waalwijk op 28 november 1939?’ Ik kan een poging wagen. Het is mij eerder gelukt. Bij meneer Van Hees, die nagenoeg blind was en met de dood op zijn hielen veel nadacht over zijn leven. ‘Sarah, ik zou mijn kinderen nog zo graag willen zien voor ik doodga,’ had hij gezegd. ‘Ik heb het verkloot, en wil hun dit vertellen. Dat ik van ze hou.’

Ik zie ons nog zitten op die zonnige dag in juni, in de oude binnentuin van de psychiatrische afdeling.

‘Zullen ze wel komen?’

‘We wachten het af,’ zei ik, terwijl ik zijn trillende hand vasthield.

Vijf minuten later zag ik de handen van meneer Van Hees over het gezicht van zijn jongste zoon bewegen, terwijl tranen over zijn wangen rolden. Angst voor de dood kende hij niet; spijt was wat hij voelde. Hij werd erdoor verteerd.

Ik staar naar de man op mijn beeldscherm en beweeg dan de muis richting het kruisje rechtsboven. Ik klik hem weg. Anton de Keu. Gewoon. Zomaar. Weg. Misschien bega ik een grote fout, misschien niet. Maar het laatste wat ik wil, is het leven van mevrouw De Keu verder overhoophalen. Voor niks.

Deze kwetsbare vrouw heeft een moeilijk leven achter de rug. Een zelfmoordpoging en vele opnames in de psychiatrie hebben haar getekend. Nu woont ze alweer een hele tijd in een verpleeghuis, en sinds een jaar op een afdeling voor mensen met dementie. Haar afdeling verzorgd wonen (qua zorg vergelijkbaar met het oude ‘bejaardenhuis’) werd grootscheeps verbouwd om mensen met dementie te herbergen. Mevrouw De Keu mocht blijven. Haar enige vraag met betrekking tot haar toekomst was: ‘Mag ik op mijn kamer roken?’ Dit werd plechtig beloofd. En zo besloot mevrouw de Keu de laatste dagen van haar leven door te brengen tussen mensen met dementie.

Het ondenkbare gebeurt: onze belofte lijkt na het weekend te worden geschonden. We zitten in het kantoor van de teamleider en de gemoederen lopen flink op. Recht voor mij zitten haar zorgverleners Jacqueline en Trees.

Trees steekt van wal: ‘Ik moet er een paar keer per dag naar binnen om te vernevelen, terwijl ze blijft doorroken als een ketter. Het slaat nergens op.’

Jacqueline vult aan: ‘Ja, ze blijft de laatste tijd maar bellen voor zuurstof. Ik vind dat we mogen weigeren. Als je zo weinig om jezelf geeft dat je zo rookt, dan…’

Dan valt de kleine teamleider in. ‘We kunnen natuurlijk de huisregels zogenaamd veranderen. Dan geven we aan dat er vanaf het weekend niet meer gerookt mag worden op de kamers, en valt ze zogezegd onder het algemeen beleid.’ Ze lacht met een geknepen mondje, alsof ze het ei van Columbus heeft uitgevonden. Er verschijnt plots een rij opvallend scherpe lijnen op haar bovenlip.

Het algemeen beleid. Ik voel rode vlekken in mijn nek opkomen, mijn slapen beginnen te bonken. Ik weet niet wat ik hoor; dit kan niet waar zijn. Ik haal een keer diep adem en breek dan los. ‘Ik kan het niet geloven, écht niet.’

‘Wat niet?’ vraagt de kleine teamleider, die zich groter maakt en haar ogen openspert, waardoor er nu ook diepe rimpels in haar voorhoofd verschijnen. Er ontstaat een fascinerend lijnenspel van frustratie in haar gezicht.

Ik onderdruk mijn boosheid en klink ineens verrassend kalm. ‘Wanneer we mevrouw De Keu het sigaretje op haar kamer ontnemen, ontnemen we haar de zuurstof om te kunnen leven. Het is de enige manier die ze kent om haar pijn te verzachten. Zonder is ze er te veel aan overgeleverd.’

Haar zorgverleners Trees en Jacqueline kijken mij meewarig aan, alsof de sigarettenrook van mevrouw De Keu mijn hersenen heeft aangetast. ‘Ja, maar dat vernevelen heeft zo toch helemaal geen zin, joh. Ze blijft benauwd, of we het nu wel of niet doen. Ik zeg het iedere keer weer: stop toch eens met roken…’

Ik heb het gevoel dat ik aan het kortste eind ga trekken. Trees heeft natuurlijk gelijk. Ik probeer er een positieve draai aan te geven. ‘Dit zeg je volgens mij omdat je om haar geeft. Je wil goed voor haar zorgen. En je hebt ook helemaal gelijk, echt. Maar soms is goede zorg lijdzaam toekijken hoe iemand zichzelf steeds dichter bij de dood brengt. Gewoon omdat het haar helpt de dag door te komen. Laten we stoppen met onze adviezen en haar omarmen zoals ze is. We zijn geen opvoedingsgesticht, we zijn een verpleeghuis.’ Ik zak terug in mijn stoel en voel mij net die pastoor van rtl5 op zondagmorgen.

Het is nu afwachten. Het blijft stil, er worden blikken uitgewisseld. Dan komt er onverwachts bijval van rechts, van Charlotte: ‘Ze is volgens mij ook gewoon hartstikke eenzaam. Ze wil een beetje aandacht. Ik wip vaak bij haar binnen voor een kort praatje. Wanneer ik kom, spreek ik voor mijn dienst samen met haar af. Ze vraagt bij weinig om de vernevelaar. En voor het slapengaan stop ik haar in, dat vindt ze fijn. We zouden dit allemaal kunnen proberen, misschien werkt dit bij jullie ook’
‘Wat fijn dat je dit met ons deelt.’ Ik kijk naar Trees en Jacqueline. ‘We zouden dit voorstel van Charlotte kunnen proberen. Wat vinden jullie?’
Aan de overkant van de tafel wordt er een stel schouders opgetrokken, en de mondhoeken van de teamleider beginnen te hangen.
De teamleider spreekt: ‘We proberen het, maar dan wel over een week evalueren.’

‘Beslist,’ zeg ik.

Na mijn weekend breng ik mevrouw De Keu een bezoekje op haar kamer. Ze zit in haar stoel te paffen en te stomen.
‘Ik dacht al, wanneer kom je weer eens aan?’ Ze wijst naar een stoel. ‘Ga zitten.’
Ik neem plaats en kijk naar het papier dat naast haar asbak ligt. verneveltijden staat er met grote letters op geschreven.
Ze volgt mijn blik. ‘Ze stoppen mij nu ook af en toe in. Ik ben er eigenlijk te oud voor, maar ik vind het fijn.’

DEMENTIE IN THEATER – LAATSTE KAARTEN!

Ontdek wat dementie met uw naaste of cliënt doet en begrijp hoe u hiermee kunt omgaan. Zodat u het béste kunt geven. Want er is nog zoveel mogelijk!